Overdenking 15/3 Hester Smits

Overdenking bij Psalm 4 en Joh 6: 44-51. 15 maart 2020, Hester A. Smits
Voor de eerste zondag nadat de maatregelen tegen het Coronavirus in zijn gegaan
 
We zitten hier in een lege kerk en we missen u:
de mensen die hier elke week komen, de mensen die uitzien naar dit uur op zondagmorgen, we missen de kinderen en de leiding van de kindernevendienst, degene die dacht: ‘deze week ga ik eens kijken’, én we missen de jongeren die naar Malawi gaan. Zij zouden in deze dienst vertellen over waarom dat zo belangrijk voor hen is. En Koko Lawson zou hier komen trommelen op zijn djembé. Er zou bezinning en leven zijn.
 
En toen zei afgelopen donderdag de premier zei dat alles moest worden afgelast boven de 100 mensen. Maar een kerkdienst is geen evenement; het is het hart van ons geloof. En dat geloof hebben we nog harder nodig als er onrust is of zorg.
 
Juist in die tijd moet het Licht aan de Paaskaars ontstoken, moet er gebeden worden, en moeten er woorden van troost gesproken worden.

En daarom dachten wij er wijs aan te doen om in deze maand op zondagochtend een morgengebed te houden. Om zo verbonden met elkaar te zijn, elkaar te steunen en te bemoedigen ook al zijn we dan niet fysiek bij elkaar.  Om de mogelijke benauwdheid te doorbreken en elkaar eraan te herinneren niet bang te zijn maar vertrouwen te hebben. Niet meegenomen te worden door paniekzaaiers en supermarktgraaiers.
 
Maar wat blijft er over als je toch bang bent? Het gebed; de band met God. En als je de woorden niet kunt vinden dan sla je de Bijbel open, waar geroepen wordt tot God. Juist als een mens zich ingeklemd voelt.
 
Zoals in psalm 4 God wordt aangeroepen: “Geef mij ruimte als ik belaagd wordt”. Want als je belaagd wordt door mensen en door wat er om je hen gebeurt, krijg je het letterlijk benauwd. Een beetje zoals de mensen die in bed liggen en de kracht niet meer hebben om zelf omhoog te komen. Dan probeer je iemand te helpen: je zet het bed een beetje rechter je pakt iemand bij de oksel en je trek degene in het bed liefdevol omhoog, met even een kussen achter hun rug, zodat zij weer lucht krijgen. Die levensadem, die ruimte daar bidt de psalmist om.
 
En in de woorden van die ‘ik’ kun je jezelf herkennen. Ik voel mij benauwd, misschien wel door alle zorg rondom het Corona-virus, misschien omdat u een kwetsbare gezondheid hebt, misschien omdat u geen bezoek kan ontvangen. Maar deze ‘ik’ is ook een ‘wij’. Niet voor niks zijn de psalmen liturgische liederen. Zij werden gezegd en gezongen door tempeldienaars, priesters, voorgangers en zangers, predikanten. En dat doen ze namens de gemeenschap. Als iemand geen tijd, geen energie of geen zin meer heeft om te bidden dan is er nog iemand die dat wel doet. Voor u bij God.
 
Stefan Paas heeft dat heel mooi verwoord in zijn boekje “Vreemdelingen en priesters”. Hij schrijft daar over de krimpende kerk, over wat wij ook weleens voelen: de lege stoelen, minder mensen. Vandaag is dat opeens zo zichtbaar. En toch, blijft het gebed gaande. En daar gaat het om, zegt Paas, niet om koppen tellen of om alle activiteiten vast te houden maar om dat te doen waar wij voor zijn: Gods lofzang gaande houden, bidden en je als een gelovig gedragen.
 
Als gelovige hoor je bij de groep mensen die zich kerk noemt. En dat maakt niet uit hoeveel dat er zijn. Zelfs hier in een lege kerk zijn wij toch verbonden in Christus en gaat de lofzang door. Dat komt omdat het geloof niet individualistisch is maar persoonlijk. Natuurlijk zijn wij individuen met onze eigen mening en onze eigen wensen maar het mooie van kerk is dat ons ‘ik’ ook een ‘wij’ is, zelfs als je elkaar niet ziet of elkaar kent. Zoals iemand een keer zei op huisbezoek: ‘ik ben lang niet geweest naar de kerk maar toen ik op zondag weer kwam, herkende ik de mensen. Nee, ik kende ze niet maar ik begreep wat ze zoeken en bedoelen. Waar ze mee bezig zijn’.
 
Wij zijn verbonden in Christus, soms tegen wil en dank. En dat voelt niet altijd zo -want er is ook weleens gedoe- maar in het Johannes evangelie lezen wij de vrij stellige woorden over het volk Israël, dat van manna at maar dat wij eten van het brood des levens. Er wordt een tegenstelling geschapen tussen Mozes en Jezus, tussen manna en brood. Theologisch gezien kan ik daar van alles over zeggen maar de boodschap is helder: wij zijn het lichaam van Christus, ook al zien we elkaar niet, ook al voelen we ons alleen en weten we niet wat het virus in deze wereld nog gaat zaaien aan dood en onrust. Wij eten van één brood, Christus.
 
Maar ik noem liever een voorbeeld. Van iemand die van dat brood at, die begreep dat zijn ik altijd een wij was, in geloof: mijn collega Wim Stougie was een westerling die in Friesland terecht gekomen was. Hij kocht zijn kleren graag bij de kringloopwinkel, was trots op zijn kinderen en hield heel erg van drop -scheepsknopen waren zijn favoriet. Afgelopen vrijdag is hij begraven in de Friese grond, hij is 53 jaar geworden. Via internet konden wij de dienst meemaken. En daar werd gezegd dat hij eerlijk was in zijn verhalen. Dat hij oog had voor het dorp, kennismaakte met boeren en een werklozen café oprichtte. Hij was begaan met mensen, goedlachs en met een wat gezet postuur. Een paar jaar geleden werd hij ziek en toen is hij gaan schrijven over zijn ziekte. En hij vertelde er ook over op televisie: bij de Nachtzoen met Marleen Stelling -een heel kort programma vlak voor het slapen gaan- en teo zei hij over zijn naderende einde: ‘ik heb geen garantie van God dat ik tachtig kan worden. Ik heb geen deal. Want ik ben net als ieder ander.’ ‘Heb je een andere deal met God?’, vraagt Stelling dan en dan zegt Wim: ‘er zijn zoveel gave, mooie en warme christenen om mij heen. Ja, misschien dat dan de deal is’.
 
Zoals het ‘ik’ van de psalmist een ‘wij’ is, zo voelde Wim zich niet alleen in zijn ziek-zijn. Omdat hij gelooft. Dat is het ‘wij’ van het geloof, dat is eten van levend brood. Dat is meer dan manna en meer dan individuele keuzes. Het is jouw leven, het persoonlijke, ingebed in de verbondenheid met anderen.
 
‘Ik’ is ‘wij’, al zie je elkaar even niet, al weet je niet wat er nog komt. ‘Ik’ is ‘wij’
 
En daarom steken we hier de Paaskaars aan, het licht van Christus, ook in een bijna lege kerk. Ons ‘ik’ is een ‘wij’, verbonden met u en met God.